Oude bossen als begraafplek

Oude bossen die in 1850 al op een landkaart stonden, kunnen natuurbegraven niet aan. Het delven van een graf van meer dan een meter diep zorgt voor grote schade aan het bodemleven. De sporen daarvan zullen eeuwenlang zichtbaar zijn, als de bodem zich al ooit herstelt.

Dat stellen Wageningse milieu-onderzoekers en ecologen op basis van onderzoek dat zij voor de provincie Gelderland hebben gedaan.

Natuurbegraven is de laatste tien jaar erg populair geworden in Nederland. Op zo’n dodenakker in een natuurgebied worden overledenen in een biologisch afbreekbare urn of kist begraven. Omdat het gebied natuurlijk moet blijven, krijgt het graf geen gedenktekens.

Gelderland krijgt volgens de provincie veruit de meeste aanvragen voor het inrichten van natuurgraven. Over het effect van zulke rustplaatsen op de natuur was echter nog niet veel bekend.

De kust moet leeg blijven

Het gevoel van vrijheid, ruimte, wind om je hoofd en de illusie dat je (soms) alleen op de wereld bent kun je aan de kust nog ervaren. Dit is, zeker in de drukke Randstad, een vrijwel unieke eigenschap. In een land waar vrijwel elk aspect van onze leefomgeving door mensenhanden is vormgegeven, is het op veel plekken aan de kust een verademing om te ervaren hoe water en wind de overhand hebben en het dynamische landschap van zee, strand en duinen gevormd hebben. Ook komen op de nu nog rustige stranden en in de duinen soms bijzondere en verstoringsgevoelige (vogel)soorten voor. Het systeem van zee, strand en duinen vormt een gouden rand rond het achterland. De laatste wildernis van het Nederlandse landschap.
De kust van de Zuidwestelijke Delta (Zeeland en Zuid-Hollandse eilanden) is in tegenstelling tot de Belgische kust nog voor grote delen vrijwel onbebouwd. Alleen de kust van Walcheren en de badplaatsen en steden langs de Hollandse kust kennen van oudsher een bebouwing tot op het strand. De afgelopen jaren neemt het aandeel recreërende buitenlandse toeristen sterk toe aan de kust. Deze bezoekers geven aan dat men de ongeschonden kust van de Delta zo mooi vindt.
Juist de unieke en waardevolle eigenschappen van de kust dreigen steeds meer verloren te gaan door een trend van toenemende bebouwing in de kuststrook in de vorm van bijvoorbeeld recreatieparken, boulevards, strandhuisjes of paviljoens. Er wordt verwacht dat deze toenemende trend van kustbebouwing aan zal houden (zie o.a. beheerplan Voordelta). De huidige ruimtelijke kaders en wetgeving schieten nu tekort om die unieke kwaliteiten te beschermen. Dit vormt zowel op het gebied van beleving als ecologie en de economische ontwikkeling van de Zuid-Hollandse en Zeeuwse kust een risico. Om te voorkomen dat bebouwing op willekeurige plekken aan de kust verschijnt en daardoor de unieke kwaliteiten van de kust op steeds meer plekken verloren gaan, is een gebiedsbrede bindende visie op bovenlokaal niveau nodig. Die is er niet. Er is nu grotendeels sprake van gelegenheidsplanologie waarbij kapitaalkrachtige initiatiefnemers met een plan naar een gemeentebestuur stappen en daar over het algemeen een willig oor vinden.
Daarnaast is het zo dat er achter de strand- en duinzone heel veel gebeurt. De ontwikkeling van recreatie en toerisme staat bepaald niet stil. Bestaande campings worden veranderd in parken met vakantiehuisjes, oudere parken worden gevuld met buitenlandse arbeiders die tijdelijk in Nederland verblijven, bestaande parken worden veelal uitgebreid en agrariërs richten zich op recreatieve functies en bebouwen hun gronden met nieuwe parken (Ouddorp Duin).Deze ontwikkelingen zijn niet in alle gevallen schadelijk voor de natuur.
Hoewel het onderwerp kustbebouwing dus erg actueel is, krijgt dit nog weinig aandacht in het overheidsbeleid. Daarom hebben de Natuur en Milieufederatie Zuid-Holland en de Zeeuwse Milieufederatie medio 2014 het onderwerp strandbebouwing geagendeerd bij de overheden die bij de kust zijn betrokken (gemeenten, waterschappen, provincie). Daarbij is ook gepleit voor het opstellen van een visie op de stranden en het stoppen van de ontwikkelingen rond strandbebouwing totdat zo’n visie is opgesteld.

Bodemdaling

Ongeveer 75% van Zuid-Holland is slappe bodem. Daarvan is 25% veengrond. De vraag wat de Zuid-Hollandse grond kan dragen is een belangrijke opgave in Zuid-Holland. Bodemdaling is een proces dat in Zuid-Holland nog vele decennia tot eeuwen door zal gaan als we blijven doen wat we nu doen. Bodemdaling zorgt voor een stapeling van effecten (emissie van CO2, invloed op waterkwaliteit, toename van wateroverlast, e.a.) die reden zijn om in te zetten op vertragen of zelfs stoppen van de bodemdaling. Daarom werkt de provincie met het Programma Bodemdaling 2016-2019 aan de ontwikkeling kennis en alternatieven met het oog op een vitale leefbare toekomst.

Twee typen bodemdaling

Er zijn, op basis van de grondsoort en oorzaak, 2 typen bodemdaling te onderscheiden:

  • Veenoxidatie:
    Door verlaging van het grondwaterpeil wordt veen ‘drooggemaakt’. Dit veen verbindt zich met zuurstof en verdampt: veenoxidatie. De overblijvende bodem is nat, waardoor er verlaging van het grondwaterpeil nodig is enzovoorts.
  • Belasting:
    Als veen-kleigrond wordt belast door bijvoorbeeld een gebouw, een asfaltweg of een zandpakket, dan wordt deze in elkaar gedrukt. Daardoor daalt het niveau van onze bodem en ‘stijgt’ het grondwater. De daling kan zo’n 0,5 cm tot 2 cm per jaar zijn.

Om bodemdaling tegen te gaan is er een eenvoudig middel: Het waterpeil hoger houden. dat scheelt in de directe kosten (je hoeft minder te pompen) en vooral in de indirecte kosten doordat de daling van de bodem significant minder wordt.

een aantal jaren geleden heeft de provincie Zuid-Holland de verschillende scenario’s laten door rekenen en kwam tot de conclusie dat de wegvallende inkomsten door minder opbrengst van de agrarische sector opwegen tegen de verminderde kosten. Bodemdaling blijft de aandacht hebben.

Den Haag gaat ‘natuurinclusief bouwen’

De Haagse natuur staat onder druk door steeds meer bouwplannen en door de aanleg van nieuwe wegen. Gebouwen worden bovendien zo gebouwd dat huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen geen nestelgelegenheden meer hebben. Ook is er gebrek aan groen in veel Haagse wijken en belemmeren bouwprojecten verbindingen tussen het Haagse groen, waardoor dieren in de verdrukking komen. Renovatie en nieuwbouw bieden kansen voor meer natuur in de stad. Door eenvoudige aanpassingen kan rekening gehouden worden met de natuur.

Natuurtoetsen getoetst

Stel iemand wil een ingreep doen in de natuur, bijvoorbeeld een fietspad aanleggen of een huis bouwen. Volgens de Wet Natuurbescherming mag dat niet zo maar. De natuurwaarden moeten grondig in kaart worden gebracht en de effecten van de voorgenomen ingreep omschreven. Verder moet worden aangegeven hoe eventueel verlies aan waardevolle natuur gecompenseerd zal worden. Hoe werkt dat in de praktijk?

Voor een leek zijn het vaak moeilijk leesbare rapporten die beginnen met de juridische kaders die de wet stelt. Daarna volgt de inventarisatie van het gebied en er wordt afgesloten met conclusies en aanbevelingen voor het realiseren van compensatie. Voor de inventarisaties wordt meestal gebruik gemaakt van reeds verzamelde gegevens in databanken. Die gegevens zijn ingebracht door heel veel verschillende mensen (vaak vrijwilligers) die hun waarnemingen digitaal doorsturen naar de verschillende organisaties die zich bezig houden met data-opslag zoals Sovon (vogels), Floron (planten), Vlinderstichting, etc. Al die gegevens zijn per kilometerhok beschikbaar via de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF).

Maar omdat er nog heel veel plekken in Nederland niet zijn geïnventariseerd, is deze databank verre van compleet. Ieder onderzoeksbureau houdt dan ook een flinke slag om de arm wat betreft het afleggen van verantwoording over de ‘op papier’ geïnventariseerde gegevens. Daarna is het regel dat er alsnog ter plaatse in het veld wordt gezocht of er soorten voorkomen die niet in de databank zijn genoemd. Omdat dit veldonderzoek veel tijd en dus geld kost, beperken de bureaus zich tot een quickscan van een of twee bezoeken en aan de hand daarvan trekt men conclusies.

Verkeerde conclusies
Er zijn veel voorbeelden van rapporten waarbij slechts één veldbezoek is gebracht. Maar bij één zo’n bezoek ben je teveel afhankelijk van toevalligheden. Groot gevaar is dan dat er verkeerde conclusies worden getrokken. We geven wat voorbeelden: momenteel is een gedeeltelijke bebouwing van de Schenkstrook actueel. Het is één van de ecologische zones binnen de gemeente Den Haag. Op basis van één veldbezoek op 2 maart wordt geconcludeerd dat vlinders en libellen, amfibieën en vissen daar niet voorkomen op basis van het aangetroffen habitat. Hier wordt dus volledig voorbij gegaan aan het feit dat er op 2 maart nog geen vlinders vliegen. Pas vanaf april/mei kunnen die goed in kaart worden gebracht.  En wat zegt een bezoek in de winter over de aanwezigheid van zomervogels? Niets anders dan een uiterst voorzichtige inschatting. Een fraai voorbeeld van onvolledigheid betreft ook de zin over roofvogels. Dat veldbezoek vond plaats in augustus, maar dan zijn eventuele jonge roofvogels al uitgevlogen en de ouders niet meer honkvast. Roofvogels in kaart brengen doe je in de periode maart-juni, lettend op hun gedrag en nestbouw.

Quickscan
Veel bureaus leggen hun bevindingen vast in een gestandaardiseerd rapport. Er vindt dan slechts één enkel veldonderzoek plaats, de zogenaamde quickscan. Deze aanpak leidt in hoge mate tot onderwaardering van de lokale natuurwaarden.  Aanvullende gegevens uit databestanden kunnen dat niet voltooien.

Negatieve spiraal
Voor het bepalen van natuurwaarden is dus meer nodig dan alleen een quickscan.
Want naast de onvolledigheid die hierbij ontstaat, krijg je soms de indruk dat het natuuronderzoeksbureau de opdrachtgever naar de mond praat. Er wordt allereerst te beperkt onderzoek gedaan naar de aanwezige natuurwaarden en daarnaast krijgt de opdrachtgever in de conclusies en aanbevelingen zoveel mogelijk handreikingen voor compensatie van natuur die verloren gaat: de zgn. mitigerende maatregelen. Dat loopt uiteen van het aanbrengen van kunstnesten en houten dagopvangkasten voor vleermuizen tot de aanleg van een natuurvriendelijke oever, houtrillen en haagbegroeiing om de broedvogels een nieuw onderkomen te bezorgen. Het zijn overigens alleen de beschermde diersoorten die compensatie vereisen. Insecten, vlinders en vissen zijn voor de nieuwe Natuurbeschermingswet niet interessant.
Natuurinventarisatiebureaus zijn over het algemeen te meedenkend met de opdrachtgever en te weinig onafhankelijk. Dat een bureau in een rapport over stedelijke verdichting het woord ‘restgroen’ durft te introduceren spreekt boekdelen en schept ruimte voor extra bebouwing.  Groen verdient een kwaliteitslabel en géén negatief stempel!  We zijn ons er te weinig van bewust dat (stedelijk) groen dat verdwijnt nooit meer terug komt. En verlies aan areaal is een verlies aan robuustheid van de natuur waarbij het regeneratievermogen van de stadsnatuur steeds verder in een negatieve spiraal raakt.

Het moet anders

Het is niet voor niets dat grote en landelijk werkende organisaties (Sovon voor vogels, Vlinderstichting voor vlinders en libellen, etc) stringente voorschriften hanteren voor het wetenschappelijk onderzoeken van hun doelsoorten. Zo schrijft Sovon een minimaal aantal volledige bezoeken voor in de broedtijd (maart-juli), enerzijds om eenmalig aanwezige doortrekkers uit te sluiten, anderzijds om alle zomervogels goed in kaart te brengen. Alléén op deze manier kan een goede match plaatsvinden tussen de aanwezige natuurwaarden en de wettelijke bescherming van die waarden. De gegevens die onderzoekbureaus uit databanken halen zijn niet altijd compleet en soms zelfs verouderd, zeker als het gebieden betreft die weinig onderzoekers trekken. Het accent moet dus meer op serieus veldwerk komen te liggen waarbij het hele plangebied in kaart wordt gebracht. Het is krom dat opdrachtgevers (ook gemeenten) nog steeds kritiekloos accepteren dat een rapport voor een groot deel is gebaseerd op een eenmalig veldbezoek, dat nota bene vaak buiten het tijdvak valt dat flora- en faunasoorten aanwezig zijn.

Kortom, zet een quickscan om in volledig onderzoek. Verder mag van onderzoeksbureaus verlangd worden dat zij lokale gebiedskennis bezitten en onafhankelijk en duidelijk naar de opdrachtgever en de omgeving zijn. Het gaat uiteindelijk om natuurbescherming.

Natuurinclusief bouwen, de nieuwe groene uitdaging voor de stad

Den Haag is de dichtstbevolkte stad van Nederland, maar moet vanwege de bevolkingstoename, voor 2040 nog 30.000 woningen bij bouwen. Omdat de gemeente niet nog meer Vinexwijken wil ontwikkelen, is er nu gekozen voor verdichten van de stad. Maar hoeveel ruimte voor natuur blijft er dan over?  We zoeken het in dubbel ruimtegebruik. De natuur kan het dak op! En daar zijn al mooie voorbeelden van.

Nu de economische recessie tot het verleden behoort, zien we het in rap tempo gebeuren. De projectontwikkelaars verdringen zich om resterende bouwkavels te claimen om daar nieuwe woningen of kantoren te bouwen. Afgelopen jaar heeft de AVN er de handen vol aan gehad om vooral kleine restplekken groen in de stad te behoeden voor verstening. In sommige gevallen is dat goed gelukt zoals aan de Daal en Bergselaan, maar er zijn ook onhoudbare situaties waar de groene ruimte voor onze ogen verdampt, zoals in de Schenkstrook. Het is niet fijn om op die manier met de rug tegen de muur het Haagse groen te moeten verdedigen, daarom wordt het tijd voor een pro-actieve tegenzet en te bedenken hoe we meer groene kwaliteit kunnen toevoegen in een verdichtende stad. Gelukkig is de AVN niet de enige belangengroep die op deze manier denkt. Ook op de verschillende beleidsafdelingen van de gemeente maakt men zich zorgen. Belangrijk dus om samen te zoeken naar oplossingen.

Natuurinclusief bouwen
In 2016 viel er ergens in het overleg tussen belangengroepen en gemeente het woord ‘natuurinclusief’. Achteraf totaal onbelangrijk wie daarmee aan kwam zetten, wel belangrijk is dat het werd opgepakt door de verantwoordelijke ambtenaren en dat er ideeën werden uitgewerkt. Die ideeën vinden we terug in een dertig pagina’s tellende notitie als antwoord op een motie uit de gemeenteraad. Wat betekent dat nou, ‘natuurinclusief bouwen’? In de praktijk zien we een zeer brede invalshoek. Het gaat erom dat we binnen de stedelijke omgeving leefruimte creëren voor planten en diersoorten. En leefruimte is niet alleen een plek om te verblijven maar vraagt ook om de aanwezigheid van natuurlijk voedsel en voor verschillende diersoorten specifieke rust- en nestgelegenheid. Met het ophangen van enkele nestkastjes ben je er dus nog niet.



Voorbeeldproject enkele diersoort

Inmiddels lopen er in bestaande wijken enkele voorbeeldprojecten voor huismussen en gierzwaluwen. Beide vogelsoorten zijn stadsgebonden en worden bedreigd door nieuwbouw en renovatie waarbij vanwege isolatie geen ruimte overblijft voor vogels om te nestelen en tussen weg te kruipen. Ook de traditionele rommelige tuintjes verdwijnen. Daarom houdt ‘natuurinclusief bouwen’ hier rekening met speciaal aangelegde nestplekken en een groene omgeving die geschikt is voor deze vogels om voedsel te zoeken, te schuilen, te badderen of een stofbad te nemen.

De natuur kan het dak op !
Maar het kan ook anders. Er zijn al enkele projecten in Den Haag en omstreken waar ‘natuur inclusief’ is opgewaardeerd naar ‘natuurlijk-inclusief’. Daarbij wordt er gebruik gemaakt van grote dakoppervlakken van bijvoorbeeld parkeergarages. In Rijswijk hebben we daar het mooiste voorbeeld van, waar op het parkeerdak van het European Patent Office (EPO) een compleet 2,5 ha groot natuurgebied is aangelegd. Dat vraagt om speciaal ontwerpen tijdens de bouw, want om die natuur letterlijk draagkracht te geven moet er rekening mee worden gehouden in de constructies van de fundering.  Je kunt een boom immers niet groot laten groeien op een bestaand plat dak. Daar zou hij binnen de kortste keren doorheen zakken. Bij nieuwbouw moeten architect en landschapsarchitect dan ook goed samenwerken.  Dit soort ‘natuurlijkinclusief bouwen’ zou voor een verdichtende stad als Den Haag een prima oplossing kunnen zijn om ook een park op de eerste en tweede etage van bebouwing aan te leggen.  Een slingertuin van groen op verschillende niveau’s en langs verschillende gebouwen. Het liefst openbaar toegankelijk, goed onderhouden en natuurlijk ingericht. Daarbij kan ook (stromend) water een rol spelen.

Meedenken voor de toekomstige stad
De AVN heeft inmiddels contact gezocht met landschapsarchitect J’ørn Copijn, ontwerper van vele grote daktuinen in verschillende stijlen. Ook die van EPO in Rijswijk. De volgende stap is een afspraak met wethouder Wijsmuller die tot aan de vorming van een nieuw college de portefeuille stedelijke ontwikkeling beheert. We vernemen nu al dat aanvullende beleidsideeën meer dan welkom zijn. De AVN denkt daarmee vooruit in de toekomst wanneer we met z’n allen een stukje moeten inschuiven, maar ons groen toch willen koesteren.